Zeiltrim voor (toer) zeiljachten op het IJsselmeer.

Zeiltrim voor kajuitjachten op het IJsselmeer.

Zeiltrim is niet iets waar men direct aan denkt tijdens een zeiltocht. Natuurlijk zijn er zeilers die altijd een wedstrijd van toerzeilen maken, en dit eigenlijk niet willen toegeven. Deze zeilers zijn altijd goed te herkennen aan het actief en onrustig trimmen, en als ze in de buurt komen beginnen ze plots het dek te boenen om te doen alsof ze helemaal niet hun best deden…

Toegegeven, eigenlijk heeft iedereen wel iets competitiefs diep van binnen, en wil iedereen wel een andere boot voorbij zeilen.

Zeiltrim is echter niet alleen van belang voor diegene die snel willen varen, maar juist ook belangrijk voor zeilers die veilig en comfortabel op het water willen varen. In veel gevallen zijn niet alle bemanningsleden even zeewaardig, en om toch een leuke tocht te hebben is het dan ook van belang om de boot goed onder controle te hebben door de zeilen op de juiste manier te trimmen!
Ook families of groepen die een boot huren kunnen nog meer plezier uit hun zeilvakantie of weekeinde halen door de boot juist te trimmen.

Een probleem bij zeitrim in het algemeen is dat elk schip weer anders reageert, en dus is de trim per boot net weer iets anders.
Hieronder bespreken we een aantal trimopties welke relevant zijn voor de zeilschepen die wij in onze vloot hebben zoals Dehler en Bavaria.

Trim van de fok of genua:

Het belangrijkste is de juiste zeilkeuze. In het ideale geval hebben we verschillende voorzeilen waar we uit kunnen kiezen en zo altijd het juiste zeil kunnen hijsen. Echter zijn de meeste zeiljachten tegenwoordig voorzien van rolfokken en rolgrootzeilen.
Dit is heerlijk eenvoudig om mee te zeilen, en je hoeft ook nog eens niets op te ruimen in de haven, je trekt aan de furlerlijn en de zeilen zijn weg!

We moeten dus uitgaan van een voorzeil wat aan de ene kant makkelijk aan te passen is, maar aan de andere kant nooit optimaal zal zijn. Rolfokken zijn over het algemeen vrij vlak gemaakt, dit is nodig om ze toch nog op te kunnen rollen. De schuimstroken die in het voorlijk zitten zijn gemaakt om de bolling in de fok beter op te rollen.
Hierdoor is het mogelijk om met veel wind de fok slechts gedeeltelijk uit te rollen.
De vlakke zeilvorm is bij veel wind ideaal; de boot gaat minder schuin en lekker hoog aan de wind. Bij weinig wind is het alleen iets lastiger. Op zick geen probleem zolang je maar beseft dat je de schoot niet te dicht moet indraaien, maar de fok juist wat moet laten “ademen” en lekker schoot dus relatief los moet laten.
Door ook een paar graden lager te sturen zul je zien dat je een stuk harder vaart. Door deze extra snelheid zal de kiel ook wat beter werken waardoor het schip minder verlijert en daardoor ben je toch sneller aan het opkruisen dan boten die (te) hoog aan de wind sturen met dichte zeilen.

Bij de fok kunnen we 3 dingen instellen; de valspanning, de positie van de genuakar en de schootspanning.
De valspanning moet bij veel wind wat strakker, en bij weinig wind wat losser. De fok heeft eigenlijk het profiel van een vliegtuigvleugel. Het mooiste is om de bolling in de fok op ongeveer 30-40% vanaf het voorlijk te hebben. Als de fokkeval te los staat zal de bolling meer naar achteren gaan, en zelfs achter het midden kunnen komen. Dit is funest voor de bootsnelheid. Doordat de bolling achterin het zeil zit zal de fok meer gaan “scheppen” en de wind niet meer mooi lozen waardoor de boot alleen maar wordt afgeremd en ook nog eens schuin gaat.
Zorg er dus voor dmv een juiste valspanning dat de bolling netjes voorin zit.

De genuakar kan naar voren en naar achteren worden versteld. Hoe meer deze naar voren wordt versteld hoe dichter de fok in het achterlijk komt. Bij een gemiddelde wind van windkracht 3-4 is het prima om de kar redelijk ver naar voren te zetten. De boot zal een prima snelheid hebben doordat er voldoende wind staat en niet teveel golven staan, en doordat het achterlijk wat dichter staat kan je wat hoger sturen zonder dat de snelheid direct wegvalt.
Bij weinig wind of veel wind mag de kar juist naar achteren.
Hierdoor komt het achterlijk losser, of “open” te staan waardoor er wind wordt geloosd. Dit is prettig omdat de boot dan minder schuin zal gaan en de windvlagen juist voor extra snelheid zullen zorgen in plaat van extra helling.
Bij weinig wind is het juist belangrijk om de kar naar achteren te zetten en de schoot wat te vieren.  Hierdoor wordt de hoek van de fok ten opzichte van de boot groter waardoor de boot meer voortstuwing krijgt en minder zal verlijeren.
Een andere reden voor een open achterlijk (ook wel Twist genoemd) is dat de wind bovenin altijd ruimer inkomt dan de wind vlak boven het dek.
De wind bovenin is altijd sterker, en heeft daardoor minder last van de schijnbare wind van de boot. Een beetje complex verhaal wellicht en ook niet helemaal relevant voor toerzeilers.

De schootspanning moet bij veel wind strak zijn, en bij weinig wind juist los.
Bij weinig wind is het belangrijk om de boot snelheid te laten houden en bij veel wind is het belangrijk om het zeil zo vlak mogelijk te maken.
Bij veel wind is het dan wel erg belangrijk om de genuakar naar achteren te zetten zodat het achterlijk bovenin lekker open komt te staan.

Trim van het grootzeil:

Het grootzeil heeft ook een aantal verstel mogelijkheden: grootzeilval, overloop en schootspanning.
Belangrijk is om te begrijpen dat de fok of genua over het algemeen voor de snelheid en voortstuwing zorgt, en het grootzeil er voor zorgt dat de boot hoogte kan lopen.
Zorg er voor dat het grootzeil gereefd wordt bij veel wind! Een te groot grootzeil heeft direct invloed op de stuureigenschappen van de zeilboot waardoor sturen erg lastig wordt met golven en windvlagen.
Sommige boten zoals onze Dehler 37 of Dehler 34 hebben een relatief groot grootzeil en zullen sneller gereefd moeten worden, terwijl de Bavaria’s juist minder gevoelig zijn hiervoor. Bij weinig wind zeilt dit heerlijk, alleen moet je bij veel wind wel op tijd reven.
De Dehlers hebben nog een extra voordeel; een flexibele mast waardoor je met het aantrekken van de achterstag het grootzeil heel vlak kunt maken en juist weer minder snel hoeft te reven.

De valspanning heeft dezelfde functie als bij de fok; meer spanning zorgt er voor dat de bolling meer naar voren gaat, en minder spanning zorgt er voor dat de bolling naar achteren gaat.
Bij het grootzeil is het mooi als de bolling op 40-50% vanaf het voorlijk zit.
bij veel wind liever iets meer naar voren, waardoor het grootzeil beter de wind “loost” en de boot minder schuin gaat.
Minder valspanning zorgt er ook wat voor dat het zeil wat boller wordt, en dat is bij weinig wind natuurlijk heel prettig.

De overloop kan meestal worden versteld; bij weinig wind mag de overloop iets boven het midden van de boot staan, en bij veel wind juist een stukje onder het midden van de boot.
Door de overloop naar boven te trekken en de schoot wat te vieren gaat het achterlijk wat losser of “open” staan waardoor de boot beter accelereert.
Als de boot voldoende snelheid heeft kun je de overloop iets laten zakken en de schootspanning iets aantrekken waardoor je hoger kunt sturen, met behoud van snelheid.
Bij veel wind is het verstandig om de overloop wat lager te zetten, en de schoot strakker te trekken. Het voorste gedeelte van het grootzeil zal gaan klapperen of tegenbollen, maar het achterste gedeelte zal netjes wind blijven vangen. Hierdoor verklein je als het ware je zeil.

De schootspanning is dus eigenlijk net als bij de fok; minder spanning bij weinig wind en veel spanning bij veel wind.

Wil je meer over zeiltrim weten? Boek dan een van onze schippers voor een paar uur, en haal nog meer uit je zeilvakantie!

 

 

Reageren is niet mogelijk